Tags:
BEELD
groningen
liftplek
nederland
Er wordt wel eens aan haar kleren getrokken. Soms krijgt ze een klap. Soms een trap. Haar hoofddoek draagt ze namelijk niet strak genoeg en dat vinden sommigen mannen aanstootgevend. Er zijn wel meer beperkingen als vrouw zijnde. Zo ging ze eens voor in de bus zitten. Dat mag niet, vrouwen moeten achterin. Ze liep daarmee het risico op dertig zweepslagen. Het schrikt haar niet af. “Als ik aan al die beperkingen toe geef, verandert er nooit wat.”
We zitten in een restaurant in Yazd, een Iraanse woestijnstad. Buiten is het bloedheet, hier binnen lekker koel. Hoewel de stad bekend staat om windvangers, ’s werelds eerste airconditioning, ratelt hier een metalen airco. Door de verkoeling durf ik het aan een warme soep te bestellen. Een specialiteit, naar het schijnt. Afareen is een meisje van rond de twintig. Ik ontmoette haar in de bus van Kashan naar deze stad, waar ze architectuur studeert. Het is een mooi meisje. Ze ontwapende me met haar grote ogen, maar als ze over het Iraanse regime praat spuwen ze vuur. In de hoofdstad Teheran loopt iedereen met een hoofddoek die bijna af valt. Hier niet. “Het is een redelijk conservatieve stad,” zegt ze al starend naar de warme soep, die inmiddels is geserveerd. “Daarom kijken mensen soms raar op als ze zien hoe ik mijn hoofddoek om heb.” Haar paarse hoofddoek valt om de paar minuten af. Zonder het bijzijn van anderen geeft ze haar haren meteen de vrijheid. “Ik haat dat ding.”
Met name de oudere bevolking is conservatief. Ik ben benieuwd naar haar ouders. “Die zijn niet conservatief, ze steunen de oppositie, net als ik. Maar toen ik in 2009 naar de grote demonstraties in de hoofdstad wilde, mocht ik niet. Dat vonden ze gevaarlijk.” Dat begrijp ik, honderden mensen werden gearresteerd en gemarteld, tientallen andere demonstranten werden vermoord. Ze kijkt weer naar haar soep. Mijn gedachten dwalen af naar de demonstraties die ik heb gezien in Nederland. Protesteren tegen de 1040 uren norm. Het ergste wat je kon overkomen was een middag nakomen, omdat je een les had gemist tijdens de demonstratie. “Maar,” onderbreekt ze mijn gedachten, “ik had er graag heen gewild. Ik word liever doodgeschoten terwijl ik demonstreer tegen dit regime, dan dat ik mijn hele leven leef in een land als dit.” <C.
Lublin, 13:00
“Wake up, wake up!” Het is de schoonmaakster die we een uur geleden hebben beloofd dat we zo snel mogelijk zouden op staan. Alle vier vielen we weer in slaap. We liggen ook nog maar net, daar we gisteren aan gebeld hebben bij het verkeerde hostel. We wisten zeker dat daar onze spullen lagen, ook ons paspoort. Niets konden we bewijzen maar we werden wel kwaad op de bewaker. Onterecht, want de pizzeria van eerder die dag bleek na een uur helemaal niet op de hoek van de straat te zitten. De twee hostels leken niet eens op elkaar. We waren een kilometer uit de richting. De zotheid van alcohol, verdwaald in Lublin, een kater en nu een prachtige dag. <S.
Waar de mensen doen alsof het altijd al zo is geweest. In de rookruimte van een vliegveld. De een komt er iedere dag, maar voor mij is het nog altijd wel een happening. Een plek die via de lucht in verbinding staat met een soortgelijke plek. Het fascineert me. Het pakje Oekraïense Gauloises fascineert mijn buurman. Hij vraagt me waar ik vandaan kom. “I have never been there. But I have been to Norway back in the nineties.” Hij vertelt me in geuren en kleuren hoe hij zijn reiskosten quitte speelde door twintig sloffen sigaretten te smokkelen. De Noorse koning wilde een gezond Noorwegen, maar John hier hielp die droom om zeep. “Beautiful girls, I tell you.” Daar ben ik het natuurlijk mee eens. Ik vertel hem dat ze ook in Europa hoog staan aangeschreven. Dan vertelt John me over de jackpot die hij uit een Noorse gokkast haalde. Ik betrap me zelf op mijn eerste Oh my god. Ik ben in Amerika geland.
Het is hier groot. Ik liep net door een van de concourses van het internationale vliegveld van Atlanta. Tijdens de vlucht van Brussel naar hier leerde ik dat dit het drukste vliegveld ter wereld is. Los van het feit dat er veel richtingen zijn en het vliegveld een kleine 200 gates telt, merk je er niets van. Het is er wel drukker dan op het vliegveld van Eelde. John is weg, hij zei dat hij zijn vlucht miste. Alleen Amerikanen missen hun vlucht net niet. Dat zeggen ze altijd in films. Het doet hier wel filmisch aan. Twee stoelen verderop neemt een sergeant zijn document door. Die wordt ongetwijfeld uitgezonden naar Irak. Of niet natuurlijk. Het is de vraag die me altijd bezig houdt op zo’n vliegveld. Waar gaat iedereen in vredesnaam naartoe? En waar komt iedereen vandaan? In de hoek staat een orthodox joodse jongen aan zijn sigaret te lurken. Zijn hoed staat op half zes en de rest van de klederdracht hangt er ook maar half bij. Een gevalletje losing my religion moet het zijn. Onderweg naar Tel Aviv?
Ik doof mijn sigaret en loop naar de deur. Het brengt me naar de roltrap die me middenin het Heinken cafė doet landen. Rechtsom, roltrap af en ik bevind me op een van de vele fastfood pleintjes. Dunkin’ Donuts, Burger King, Johnny Rockets en natuurlijk Starbuck’s. Ik vind het raar. Nu al lijkt het alsof alle verwachtingen kloppen, maar toch is het zo anders dan je aanvankelijk verwacht. Het is zoiets als een straalbezopen feest van herkenning. Ik zie een Blackberry winkel en loop er naar toe. Ze zijn niet goedkoper dan thuis, ongetwijfeld ook niet beter. Bij de kassa rekenen twee jonge soldaten hun nieuwe ping-machines af. Broekjes zijn het, amper 16 jaar. “I’m sixteen, he’s seventeen”, zegt de linker terwijl hij de rechter aan wijst. Ze verdrinken bijna letterlijk in hun uniformen. Ik vraag ze waar ze naar toe gaan. “We just got back from bootcamp in Missouri, sir.” Fatsoenlijke jongens. “Next year we might get stationed in the Middle-East.” Deze jonge pikkies worden straks wapens in plaats van Blackberry’s toevertrouwd? Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen, maar ik wens ze succes. “Thank you sir. Have a nice day.” <S.
De zon komt al op. Olivier slaapt onder een boom met een straathond, ik lig in het midden van een halletje waar een kakkerlak rondjes om me loopt. Wat is er ooit gebeurd?
Een dag eerder staan we voor het huis van Piperel, onze eerste Couchsurf-host ooit. Slaapplek had hij al afgestaan, maar langskomen mag altijd. Hij woont in de Genex Tower, een enorme wolkenkrabber van beton. Het bestaat uit twee losse torens, verbonden door een brug tussen de hoogste etages. Daardoor noemen de Servische hoofdstedelingen haar ook wel de Westelijke Stadspoort. Het heet hier Nieuw Belgrado, maar alles is verre van nieuw. Belgrado betekent letterlijk ‘de witte stad’. Waar de stad haar naam aan heeft te danken wordt me hier niet duidelijk. Alles om me heen is depressief grijs. Desalniettemin zijn we erg blij met onze eerste couch en bellen we aan. Een man, enkel gekleed in een ballenknijper waarover een strakke doch bolle bierbuik valt, doet open. Dat zal onze gastheer wel zijn. Zonder ons aan te kijken loopt hij terug naar zijn tafel en vraagt hij ons iets in het Servisch. Verbouwereerd zeggen we dat geen Servisch spreken. Piperel kijkt op, ziet dat we twee Nederlandse jongens zijn en verontschuldigt zich: “I thought you were the boys bringing the weed.” Nee, dat zijn we niet. Gelukkig voor Piperel komt die jongen vijf minuten later. Onze eerste host is een excentriek persoon, zal ik maar zeggen.
Later die middag neemt hij ons mee naar een prachtig eilandje in de Donau alwaar we dineren. Tijdens het diner van verse vis en rode wijn vraagt hij of we mee gaan naar de lancering van een nieuw modemagazine op een ander eilandje. “The party will end up in a big orgy.” Olivier en ik zijn de minsten niet en gaan mee. Daar aangekomen zijn er welgeteld twee beeldschone dames. Wel met een Servische kleerkast er naast. Voor de rest liggen er bejaarde walrussen op het strand. Van een lancering van een magazine geen sprake. Maken dat we wegkomen. Na enig aandringen brengt de inmiddels straalbezopen Piperel ons in een bootje naar vaste wal. “Hold my hand, Oliver,” vraagt hij voor aanmeren. Wankelend friemelt hij zijn mannelijke trots met zijn andere hand uit de strakke ballenknijper en begint luidruchtig te urineren. Met diezelfde hand wenst hij ons daarna een goede reis toe. Do videnja, tot ziens.
En het wederzien was er snel. Die nacht gaan we feesten met twee Engelse dames op de partyboten op de Donau. Net als Nieuw Belgrado, zijn nieuwe hits in Servië ook niet wat je verstaat onder nieuw. No Limit, Vengaboys, dat soort meuk. Gedurende het feest der herkenning kom ik erachter dat ik het meest kostbare bezit heb laten liggen bij Piperel: mijn dagboekje.Omdat de trein naar Montenegro over een paar uur vertrekt, besluiten we linea recta naar de Genex Tower te lopen. Anderhalf uur later komen we aan. Tien, twintig keer bel ik aan. Geen gehoor. Olivier besluit te gaan slapen. Ik geef hem groot gelijk; het is mijn dagboekje. Ik blijf aanbellen terwijl Olivier onder een boom gaat liggen. Een straathond is naast hem gaan liggen. Na een halfuur maakt de vermoeidheid zich ook meester van mijn lichaam en besluit ik een powernap te nemen in het halletje. Er is echter een probleem: er loopt een kakkerlak rond. Drie minuten observeer ik het beestje en weet ik dat ik met een gerust hart in het midden van het halletje kan gaan slapen: de kakkerlak wandelt alleen langs de randen van het vertrek.
Een paar uur later zit ik in de trein naar Montenegro. Via een oud vrouwtje, een open deur en een verdwaasde Piperel heb ik uiteindelijk mijn dagboekje terug. En schrijf ik er nu dit verhaal in. <C.
We hebben het weer eens goed voor elkaar. Te laat voor de trein naar Kiev die de vrouw van mijn zomer met zich mee nam. Erg is het niet want ook hier is er voldoende infrastructuur om via C als nog in B te geraken. Dat deze omweg ook via H, S en X gaat, nemen we voor lief. Ik sta in het gangpad van een van de wagons die zich samen met de andere de intercity naar L’vov noemt. Het is uit de richting, maar door ons zorgmeisje Anastasia is ons beloofd dat er in de ochtend een trein naar Kiev voor ons klaar staat. We mogen ons vannacht vereerd voelen daar Christiaan en ik in de kamer van de provodnitsa mogen bivakkeren. Zo doen ze dat hier in volle treinen. Voor vijf euro zijn we een nacht lang onder de rijdende pannen. Het is een halve coupė. Twee zwevende bedden die we moeten delen met een vrouw, die op de bovenste languit ligt, en Ivan. Ivan is 68 en heeft in Chernivitsi een auto-ongeluk gehad. Zijn blauwe ogen stralen goedheid uit als hij me voor de vijfde keer in het Oekraïens vertelt dat het goed is. “Dobry, droeg, dobry.” Ik vind het niet goed en besluit me op te offeren.
Het gangpad voor mij is beter voor Ivan. Ik probeer flarden van de voorbij kruipende Karpaten op te vangen. Hoog tegen de berg aan brandt wat licht, de maan doet de rest. Ik probeer de tijd te doden door wat van Kerouac te lezen. Hij geeft me een feestje van herkenning en ik markeer keer op keer citaten.“For one the biggest troubles hitchhiking is having to talk to innumerable people, make them feel that they didn’t make a mistake picking you up, even entertain them almost, all of which is a great strain when you’re going all the way and don’t plan to sleep in hotels.” Hij heeft gelijk. Het gaat nu niet op voor mij, ik sta hier goed in de trein. Naast mij staat Vasya. Hij is samen met mij en de provodnitsa de enige die niet slaapt en daar heeft hij een reden voor. Hij laat me een foto zien van wat kennelijk zijn vriendinnetje is. Hij mist haar, begrijp ik. “Syestnatsyats”, zegt hij me wanneer ik hem naar zijn leeftijd probeer te vragen. Zestien en tot zijn oren verliefd. Mooi is het wel.
Met twee woorden Russisch vraag ik hem of het hier okė is om te roken. Dat mag eigenlijk altijd in de treinen aan deze kant van Europa. “No,” zegt Vasya. “Toilet!” Vasya doet het me voor en loopt naar de wc waar hij binnen twee minuten een sigaret brandmeester maakt. Nu is het mijn beurt. Een beetje onheimelijk sta ik met mijn sigaret in de spiegel te kijken. Vasya houdt de wacht voor mij. Even voel ik me zestien. Als ik de deur achter me dicht laat vallen en mijn staplek bij het boek weer in neem, komt de provodnitsa er aan lopen. Hij begint zacht te schelden tegen Vasya. Vasya schudt zijn hoofd en knipoogt naar mij. Later leg ik hem uit dat ik onderweg ben naar Kiev, naar een meisje. Vasya lacht en pakt nog een keer de foto van zijn meisje erbij. Samen kijken we naar de donkere Karpaten. <S.